Werken in de integrale structuur betekent dat een gebiedsontwikkeling wordt opgenomen binnen de samenhangende basis van het omgevingsplan, in plaats van in een apart transitiehoofdstuk. De gemeente werkt daarmee binnen de systematiek en ordening die zij voor haar plan heeft vastgesteld.
Het uitgangspunt is dat de integrale structuur de vaste ruggengraat vormt van het plan. Hier vindt u 3 handvatten voor het werken in de integrale structuur.
Als u gaat werken in de integrale structuur is het uitgangspunt dat een groot deel van de benodigde regels al beschikbaar is in de basisregeling. Denk aan regels voor bouwen, gebruik, milieubelasting, geluid, archeologie, parkeren en waterhuishouding.
Gebruikmaken van reeds beschikbare regels in de integrale structuur kan op 2 manieren:
- Bij een gebiedsontwikkeling breidt u het werkingsgebied van de bestaande regels uit door ze te koppelen aan een locatie in de gebiedsontwikkeling. Of u perkt de regels juist in.
- Als u in uw integraal plan al gebruik heeft gemaakt van omgevingsnormen, dan kunt u deze uitbreiden of aanpassen met nieuwe locaties en daaraan gekoppelde normwaarden.
Zo maakt u maximaal gebruik van wat al is opgebouwd en voorkomt u dat er onbedoeld varianten van regels en redundantie ontstaan.
Nieuwe regels voegt u alleen toe wanneer de bestaande set nog niet voorziet in een specifieke situatie of beleidsdoel. Doe dit conform de uitgangspunten voor structuur en systematiek van uw plan. Zo blijft het plan als geheel logisch opgebouwd en juridisch consistent. En blijven de regels herkenbaar en vindbaar voor planjuristen, initiatiefnemers en vergunningverleners.
Sommige gemeenten nemen binnen hun integrale structuur een apart deel op voor transformatiegebieden: gebieden waar tijdelijke of ontwikkelingsgerichte regels nodig zijn. Let op: dit is géén tijdelijk transitiehoofdstuk, maar een blijvend, herkenbaar onderdeel binnen de integrale planstructuur waarin ontwikkelgerichte kaders worden vastgelegd.
Voorbeelden van regels die in zo’n transformatiehoofdstuk kunnen staan:
- een minimaal of gemiddeld aandeel middeldure huurwoningen
- een gemiddeld bruto vloeroppervlak (BVO) per woningtype
- regels over stedenbouwkundige randvoorwaarden, zoals bouwhoogtes, kavelverhoudingen of publieke ruimte
- bepalingen over energieprestaties of klimaatadaptieve inrichting tijdens de ontwikkelingsfase
Deze regels geven richting aan de ontwikkeling zolang het gebied in transformatie is. Zodra de gebiedsontwikkeling voltooid is en het gebruik is overgegaan in de beheerfase, kunnen de specifieke transformatiebepalingen worden verwijderd of omgezet naar generieke regels binnen de reguliere structuur. Zo blijft het plan actueel en beheersbaar.